Of Mistic's Tale

Raskenmerken

 Hairwolf  " Wolfke" Of Mistic's Tale

WEIMARANER   Standaard   F.C.I  Nr 99

FCI CLASSIFICATIE
Groep 7 Sectie 2 : Continentale Staande Hond
met jachtproeven

 

Wanneer spreekt men van een rashond?

Om rashond te zijn moet een hond voldoen aan drie voorwaarden:

  1. beantwoorden aan de kenmerken die voor zijn ras in de standaard zijn vastgelegd,
  2. als rashond bij een stamboek geregistreerd staan,
  3. een vader en moeder hebben die tot hetzelfde ras behoren.

Voldoen aan een standaard duidt erop dat rashonden erfelijk vastgelegde kenmerken, in een voor dat ras karakteristiek combinatie, met elkaar gemeen hebben. Honden van een ras lijken op elkaar, uiterlijk maar ook in karakter en gedrag. Dat komt omdat in het verleden honden voor een min of meer gespecialiseerde taak werden uitgeselecteerd. Voor zo'n taak was een bepaald uiterlijk van belang (grootte, bouw, vacht), in combinatie met aanleg en karakter. Honden moesten een specifiek karwei opknappen, zoals wild opjagen, stellen of vangen, vee drijven, hoeden of verdedigen of huis en hof tegen indringers beschermen. Bijna altijd ging het om puur nut: ze verleenden hun baas bijstand in de strijd om het dagelijkse bestaan.

In het boekje "Weimaraner - Gebruikshond", samengesteld te Nieuwveen, februari 1976 door W.J. Surig-Barleeus, vond ik volgende informatie.

Alvorens tot nestkeus, waarbij de gezondheidstoestand een belangrijke rol speelt, over te gaan, dient men men er zich van te vergewissen, dat gefokt werd met dieren die onder meer hun "dressuurwilligheid" hebben bewezen. Dit houdt in dat koppige en onwillige exemplaren uitgefokt zijn ter voorkoming van eindeloos getob tot groot verdriet van mens en dier, doordat men niet in is staat is te ontwikkelen wat er niet (meer) is.

Uitgesloten van de fok dienen honden te zijn die onvoldoende jachtaanleg en passie hebben alsmede een slecht gangwerk, gebrek aan neus, niet schotvast, niet zacht in de mond en onvoldoende scherpte tonen. Dit zijn erfelijke eigenschappen, die met de mate van dressuur beoordeeld kunnen worden op veldwedstrijden, die dan ook dienen ter selectie van het fokmateriaal, waardoor het gebruik van goede honden gestimuleerd en de weidelijkheid van de jacht bevorderd worden. Jachthondenproeven, zoals deze door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging worden uitgeschreven, hebben hetzelfde doel doch doen in eerste instantie een uitspraak over de bruikbaarheid voor het werk na het schot. Goede tentoonstellingsuitslagen geven enige zekerheid dat het exterieur ook aan de verwachtingen zal voldoen.

Aan deze all-round gebruikshond, speciaal voor het veelzijdige jachtbedrijf gefokt, kunnen de volgende eisen gesteld worden: goede manieren en gehoorzaamheid onder alle omstandigheden - ruime zoekwijze - correct voorstaan - behoorlijk apport te land en te water - stöbern ( wild uit dekking drijven ) - zoeken onder het geweer - spoorhouden - totverbellen ( luid bij gesneuveld grof wild ) of totverweisen ( er bij brengen ) - roofwild wurgen en scherpte. Hier te lande is scherpte vaak synoniem met agressiviteit. Dit is onjuist. " Scherpte is een erfelijke en dus aangeboren eigenschap, die zoals iedere aanleg gecultiveerd moet worden door een methodische opbouw om tot volledige ontplooiing te komen. Het is een onmisbare eigenschap, zonder dat komen andere eigenschappen niet volledig tot ontwikkeling, zoals verloren-zoeken, zweetspoor, zelfs de lust tot apporteren en houdt het de wildstand in het jachtveld op peil door alle roofwild te wurgen. In hoeverre de hond scherp zal worden, is af te lezen aan zijn houding ten opzichte van vreemden, zijn opmerkzaamheid in huis en zijn gedrag tegenover katten.

 

Rasinfo.

 

Herkomst

 

Een uit Duitsland afkomstig oud jachthondenras, vermoedelijk ontstaan uit kruisingen met een Pointer, of afstammend van Brakken. In de 18e en 19e eeuw gefokt door de Hertogen van Saksen-Weimar.

Algemeen voorkomen

 

Middelmatig grote tot grote zilvergrijze tot reebruine jachthond, atletisch, krachtig gespierd, van een doelmatig werktype. Amberkleurige ogen.

Schofthoogte

reuen 59-70 cm, teven 57-65 cm

Gewicht

 

Reuen 32 - 38 kg, teven 27 - 32 kg

Vacht

 

 

Zacht, lang dekhaar met of zonder onderwol, glad of gegolfd. Aan de oorpunten fluweelachtig fijn, bij de ooraanzet lang afhangend. Goede bevedering en broek. Staart met mooie vlag, tussen de tenen goede beharing. Kleur zilver-, ree- of muisgrijs of tinten tussen deze kleuren in. Hoofd en oren meestal iets lichter. Kleine witte aftekeningen op borst en tenen toegestaan. De langhaarvariëteit is recessief tegenover de korthaar, zodat in een nest van twee kortharige Weimaraners langharige puppies kunnen voorkomen, of kortharige met hier en daar wat lange haren.

Gebruik

 

Goede allround gebruikshond, die systematisch het veld afzoekt; heeft een opmerkelijk goede neus.Wordt gebruikt voor het schot (voorstaan), maar is ook goed in het werk na het schot (verloren zoeken en apporteren) en kan een zweetspoor goed uitwerken. Scherp op roofwild en verdedigingsdrang aanwezig. Waak- en verdedigingsdrift niet stimuleren, dit kan tot overbescherming leiden

 

Gezondheid

De honden waarmee gefokt wordt, worden röntgenologisch onderzocht op de aanwezigheid van heupdysplasie en op hartafwijkingen.

Aard

 

Weimaraners zijn dapper, koppig, onstuimig, scherp, ongeduldig en hebben veel energie maar opgelet, zij kunnen zich wantrouwend en terughoudend opstellen tov andere mensen. Verder is het gedrag tov andere honden ook goed, al trachten ze toch steeds de anderen te domineren.
Bijzonderheden
De langharige vacht heeft behalve regelmatige borstel- en kambeurten geen bijzondere verzorging nodig.