Om rashond te zijn moet een hond voldoen aan drie voorwaarden:
Voldoen aan een standaard duidt erop dat rashonden erfelijk vastgelegde kenmerken, in een voor dat ras karakteristiek combinatie, met elkaar gemeen hebben. Honden van een ras lijken op elkaar, uiterlijk maar ook in karakter en gedrag. Dat komt omdat in het verleden honden voor een min of meer gespecialiseerde taak werden uitgeselecteerd. Voor zo'n taak was een bepaald uiterlijk van belang (grootte, bouw, vacht), in combinatie met aanleg en karakter. Honden moesten een specifiek karwei opknappen, zoals wild opjagen, stellen of vangen, vee drijven, hoeden of verdedigen of huis en hof tegen indringers beschermen. Bijna altijd ging het om puur nut: ze verleenden hun baas bijstand in de strijd om het dagelijkse bestaan.
In het boekje "Weimaraner - Gebruikshond", samengesteld te Nieuwveen, februari 1976 door W.J. Surig-Barleeus, vond ik volgende informatie.
Alvorens tot nestkeus, waarbij de gezondheidstoestand een belangrijke rol speelt, over te gaan, dient men men er zich van te vergewissen, dat gefokt werd met dieren die onder meer hun "dressuurwilligheid" hebben bewezen. Dit houdt in dat koppige en onwillige exemplaren uitgefokt zijn ter voorkoming van eindeloos getob tot groot verdriet van mens en dier, doordat men niet in is staat is te ontwikkelen wat er niet (meer) is.
Uitgesloten van de fok dienen honden te zijn die onvoldoende jachtaanleg en passie hebben alsmede een slecht gangwerk, gebrek aan neus, niet schotvast, niet zacht in de mond en onvoldoende scherpte tonen. Dit zijn erfelijke eigenschappen, die met de mate van dressuur beoordeeld kunnen worden op veldwedstrijden, die dan ook dienen ter selectie van het fokmateriaal, waardoor het gebruik van goede honden gestimuleerd en de weidelijkheid van de jacht bevorderd worden. Jachthondenproeven, zoals deze door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging worden uitgeschreven, hebben hetzelfde doel doch doen in eerste instantie een uitspraak over de bruikbaarheid voor het werk na het schot. Goede tentoonstellingsuitslagen geven enige zekerheid dat het exterieur ook aan de verwachtingen zal voldoen.
Aan deze all-round gebruikshond, speciaal voor het veelzijdige jachtbedrijf gefokt, kunnen de volgende eisen gesteld worden: goede manieren en gehoorzaamheid onder alle omstandigheden - ruime zoekwijze - correct voorstaan - behoorlijk apport te land en te water - stöbern ( wild uit dekking drijven ) - zoeken onder het geweer - spoorhouden - totverbellen ( luid bij gesneuveld grof wild ) of totverweisen ( er bij brengen ) - roofwild wurgen en scherpte. Hier te lande is scherpte vaak synoniem met agressiviteit. Dit is onjuist. " Scherpte is een erfelijke en dus aangeboren eigenschap, die zoals iedere aanleg gecultiveerd moet worden door een methodische opbouw om tot volledige ontplooiing te komen. Het is een onmisbare eigenschap, zonder dat komen andere eigenschappen niet volledig tot ontwikkeling, zoals verloren-zoeken, zweetspoor, zelfs de lust tot apporteren en houdt het de wildstand in het jachtveld op peil door alle roofwild te wurgen. In hoeverre de hond scherp zal worden, is af te lezen aan zijn houding ten opzichte van vreemden, zijn opmerkzaamheid in huis en zijn gedrag tegenover katten.